Overslaan en naar de inhoud gaan

De eerste 25 jaar van TVM verzekeringen

Geen mens zat in 1962 te wachten op een specifieke transportverzekeraar, blijkt na het lezen van het boek ‘Sporen in de Tijd – 25 jaar Transvemij (1962-1987)’. Het ontstaan van de Onderlinge Waarborgmaatschappij Transportrisico U.A. via Transvemij naar TVM is er een van doorzettingsvermogen en daadkracht.

kantoor | tvm verzekeringen

Tegenwerking is het woord niet. De totstandkoming van een onderlinge verzekeringsmaatschappij voor de transportbranche in de jaren 60 ging gepaard met onverhulde dreigementen en zakelijke sabotage van banken en concurrenten, blijkt uit de geschiedschrijving van de eerste kwart eeuw van TVM’s juridische voorganger.

Waren die praktijken anno 2020 toegepast, dan zouden die in flagrante strijd zijn geweest met de Europese mededingingsafspraken. Maar och, in 1962 werden polissen van transportondernemers na een faillissement van verzekeraar Brandaris lukraak opgezegd door vrijwel alle verzekeringsmaatschappijen. Zij konden zich vervolgens opnieuw verzekeren bij een door hen opgezette verzekeringspool voor internationale transporten.

“Een dergelijke concentratie ter bescherming van de belangen der verzekeringmaatschappijen is wel een heel mooie zaak, maar het bracht wel met zich mee dat de premies drastisch verhoogd werden, terwijl er voor de verzekerden geen alternatief bestond”, schrijft auteur Hans Vogelesang in ‘Sporen in de Tijd’ (1962-1987).

De premieverhogingen, de opzeggingen van de oude polissen van de ene op de andere dag, de verlangde onmiddellijke vooruitbetaling van de premies voor nieuwe verzekeringen leidden destijds tot grote liquiditeitsproblemen in de branche.

Onderlinge Waarborgmaatschappij Transportrisico

Het bestuur van de toenmalige vervoersorganisatie NOB Wegtransport (nu Koninklijk Nederlands Vervoer) besloot niet te wijken voor de dwang van de verzekeraars en droeg voorzitter E. van Donkelaar te komen met een eigen verzekeringsorganisatie. Dat leidde tot de oprichting van de Onderlinge Waarborgmaatschappij Transportrisico op 6 december 1962. Zeven weken later werd de eerste directeur benoemd, de Groningen R.A. Horst. De verzekeraar in spe kreeg voorlopig onderdak bij NOB Wegtransport in Den Haag.

Daarmee was de tegenwerking van de grote spelers in de markt overigens nog niet voorbij. De herverzekeraars werden onder druk gezet geen zaken te doen met de nieuwkomer, maar gelukkig was de Insurance Company of North America niet beducht voor het herverzekeren van de risico’s en dus kon de nieuwe transportverzekeraar beginnen aan een nieuw tijdperk.

Voor een deel was de angst voor de komst van TVM’s rechtsvoorganger begrijpelijk. Het oude model van verzekeraars en tussenpersonen werd overboord gezet, mede uit kostenoverwegingen. Er bleef geen commissie of courtage meer hangen in de laag tussen de verzekerde en de verzekeraar. De nieuwe coöperatie deed rechtstreeks zaken met de aangesloten leden, een direct writer nog voordat het woord in de markt bekend was.

De rest is geschiedenis, zo leert het boek. De eendracht van de groep transportondernemers die betrokken was bij de oprichting, was hecht. Met zakelijk succes tot gevolg. Na afsluiting van het eerste boekjaar (31 december 1964) werd een premieomzet van ruim 2 miljoen gulden (iets minder dan 1 miljoen euro) in de boeken gezet. Het dubbele van het doel in het eerste volledige boekjaar. In 1965 groeide omzet naar ruim 4 miljoen oude guldens en ruim 1200 transportondernemers hadden zich inmiddels aangesloten. In 1968 doorbrak de premieomzet de 10 miljoen gulden, eind december 1970 zelfs de 15 miljoen gulden (6,8 miljoen hedendaagse euro’s).

Transvemij

De opmars had ook gevolgen voor de huisvesting. Al snel bleek dat inwonen bij NOB Wegtransport geen optie meer was en werd in 1963 een nieuw kantoor aan de Schimmelpennincklaan in Den Haag betrokken. Zes jaar later volgde een verhuizing naar het Vervoershuis in Rijswijk. In 1969 werd ook de naam Transportrisico U.A. veranderd in Transvemij, een afkorting van Transport Verzekerings Maatschappij.

In 1972 werd besloten naar Hoogeveen te verhuizen. Aanleiding: een zeer krappe arbeidsmarkt, waardoor moeilijk aan personeel te komen was of om goede medewerkers te behouden. Een aantrekkelijke Rijkssubsidie, een betere arbeidsmarkt in Drenthe en medewerking van de gemeente Hoogeveen gaven de doorslag. Aanvankelijk werd tijdelijk het oude pand van Gemeentewerken in Hoogeveen betrokken, gevolgd door de opening van een nieuw hoofdkantoor aan de Eisenhowerstraat in augustus 1973. De premieomzet op dat moment? 25 miljoen!

Een van de aanwinsten in het nieuwe kantoor: een IBM-computer Systeem 3, niet langer gehuurd, maar in volledig eigendom. De aanschaf vormde de aanzet tot een voortdurend streven naar innovatie en digitalisering in latere jaren van de coöperatie.

Een jaar eerder (1972) was Ad Bos in dienst getreden als adjunct-directeur, voornamelijk belast met financieel-economische zaken en automatisering. Hij was het die de verhuizing naar Hoogeveen initieerde en begeleidde. Vier jaar later werd Bos benoemd tot hoofddirecteur als opvolger van Horst. De laatste hing zijn opvolger een juk op de schouders met aan weerszijden twee emmers: de ene symbolisch ‘gevuld’ met het gewicht van Transvemij, de andere als het ware gevuld met de lijfspreuk van Ad Bos: “Zonder moeite wordt niets verkregen dat de moeite waard is.”

Het was een roerige periode, de jaren 70. Er was sprake van een recessie door het olie-embargo, werkloosheid en sociale onrust namen toe en het aantal ongelukken steeg onrustbarend. Het trieste toppunt van die dagen was het mistongeluk bij Prinsenbeek. Op de vroege, zonnige ochtend van 25 augustus 1972 reden 60 (vracht)auto’s op de rijksweg van Rotterdam naar Breda plotseling een onverwachte mistbank in. Het zicht bedroeg nog geen tien meter. Het trieste gevolg van de kettingbotsing: 13 doden, onder wie drie vrachtwagenchauffeurs. En nog eens tientallen gewonden, van wie velen ernstig. Tien voertuigen brandden volledig uit. Schade: circa 16 miljoen gulden, nu ruim 6,8 miljoen euro.

‘Prinsenbeek’

In het jubileumboek beschrijft Vogelesang deze zwarte bladzijde: “In assurantiekringen had men het er al over dat ‘Prinsenbeek’ de ondergang van deze maatschappij zou betekenen. ‘Daar gaat TVM aan kapot!’ Deze maatschappij, weliswaar pas tien jaar oud, kon dankzij goed management en een verstandig herverzekeringsbeleid de klap opvangen zonder in moeilijkheden te komen.”

Veiligheid en preventie werd vanaf de eerste dag in het DNA van de nieuwe verzekeraar opgenomen. In 1966 werd het Veiligheidsplan voor het Wegvervoer in het leven geroepen, amper vier jaar na de oprichting. Dat ging niet zonder slag of stoot. Vakbonden waren bevreesd dat het belonen van chauffeurs die zonder schade bleven zou leiden tot een zwarte lijst voor brokkenmakers. Het vroeg veel overtuigingskracht, maar uiteindelijk werd het plan na samenspraak met onder meer het ministerie van Verkeer en Waterstaat Veilig Verkeer Nederland en de politie gelanceerd.

Chauffeurs werd vooral gewezen op de zogenoemde Zwarte Zes, een lijst van cruciale fouten die veel schades tot gevolg hadden, zoals geen voorrang verlenen, achter op een stilstaand object rijden of verkeerd inhalen of invoegen. In de eerste jaren na invoering ging de schadelast met procenten tegelijk per jaar naar beneden.

Ridders van de Weg

De chauffeurs die schades wisten te voorkomen, werden uitgeroepen tot de Ridders van de Weg, een fenomeen dat jaarlijks brede aandacht in de media trok. Tien jaar na invoering van het Vervoersplan, in 1976, werden de eerste Gouden Ridders onderscheiden door Prof. mr. Pieter van Vollenhoven, die als voorzitter van de Raad voor de Verkeersveiligheid het plan omarmde. Hij sprak destijds: “De chauffeur van een vrachtauto moet aan veel voldoen.: hij mag nooit over de streep gaan, nooit overstuur raken, nooit onder dekzeil gaan, nooit door oranje rijden en nooit uit de bocht springen.”

In de loop der jaren waren vele hoogwaardigheidsbekleders bij de Ridders van de Weg, onder wie ministers en staatssecretarissen. Oud-minister Neelie Smit-Kroes nam in 1980 ten overstaan van de gelauwerde chauffeurs bijvoorbeeld geen blad voor de mond in het Autotron in Drunen. “Eigenlijk is het te gek dat ik hier onderscheidingen ga uitreiken voor schadevrij rijden. Dat laatste behoort zo normaal en doodgewoon te zijn, dat we het wel uit ons hoofd zouden laten schadevrij rijden als een prestatie te waarderen.”

Auteur Hans Vogelesang gaf aan einde van het jubileumboek van de eerste 25 jaar Transportrisico/Transvemij/TVM het laatste woord aan de eerste voorzitter, E. van Dinkelaar: “Transvemij zal de ontwikkelingen steeds een stap voor moeten zijn.” De auteur kan het niet laten daar in 1987 nog een állerlaatste woord aan toe te voegen: “En daar is zij tot nu tot nu toe uitstekend in geslaagd.”